Contrastmiddelen

Contrastmiddelen zorgen ervoor dat een orgaan of vat beter afgebeeld wordt. Het contrastvloeistof wordt intraveneus ingespoten (meestal via een vene in de elleboogsplooi) en zal zich vervolgens door de bloedvaten verspreiden in het gehele lichaam. Bij intraveneus contrastvloeistof is het belangrijk wat de vraagstelling is. Voor een goed onderzoek dient het contrastvloeistof zich te bevinden in het orgaan/vat van interesse. 


Voorbeeld: bij de vraagstelling longembolieën wordt er gescand op het moment dat het contrastvloeistof zich in de arterie pulmonalis bevindt (9-15 sec na injectie, fig. 8). Ben je meer geïnteresseerd naar de status van de carotiden dan zal er 16-24 sec na injectie gescand moeten worden.

Klik voor overlay

CTA van de thorax; contrast in de arterie pulmonalis.
CTA van de thorax; contrast in de arterie pulmonalis.

Figuur 8. Goed contrastaanbod in de arterie pulmonlalis (via elleboog – vena cava superior – rechter harthelft). Merk op dat het contrastvloeistof de aorta nog niet heeft bereikt. 

Oraal en rectaal bariumcontrast kan gebruikt worden voor het beoordelen van de darmen en hulp bieden bij het onderscheiden van darmen en omliggende weefsels. Jodiumhoudend contrastvloeistof kan schade brengen aan de nieren. Hydratie is belangrijk bij de preventie van contrast nefropathie. Bekijk het protocol van het ziekenhuis waar je werkt voor meer details over preventiemaatregelen (o.a. pre/posthydratie) en de risicofactoren.