Röntgenfoto

Bij het maken van een röntgenfoto zal een bundel röntgenstralen vanuit het röntgenbuis het lichaam passeren en terecht komen op een fosforplaat/detector. De witheid (= densiteit) is afhankelijk van de hoeveelheid röntgenstralen die het weefsel passeert (fig. 2).

Röntgen densiteiten.

Figuur 2. Röntgen densiteiten (= witheid).

Hoe meer de röntgenstralen worden tegengehouden (absorptie of verstrooiing) en niet op de fosforplaat/detector terechtkomen, hoe denser (= witter) het beeld. Weefsels met een hoog absorptievermogen, zoals metaal, zullen als dens afgebeeld worden. Een ander voorbeeld: röntgenstralen zullen de luchthoudende longen (zwart) makkelijker passeren dan het bot (wit). De ontvangen informatie op de plaat wordt omgezet in een digitaal beeld. Bij een goede opnametechniek kan een röntgenfoto informatie geven over de ossale structuren, vocht, lucht, weke delen contouren en prothesen/osteosynthese materiaal.

 

Opmerkingen:

  • Elke röntgenfoto wordt beoordeeld alsof je voor de patiënt staat; dus de rechterkant van de foto betreft de linkerzijde van de patiënt en visa versa. 
  • Belangrijk om te weten is dat de röntgenbundel een divergerende eigenschap heeft. Dit houdt in dat deze steeds breder wordt naarmate de afstand tot de röntgenbuis toeneemt. Het nadeel hiervan is dat weefsels/structuren die ver van de plaat verwijderd zijn ongewenst groter worden afgebeeld op de plaat. O.a. belangrijk bij de beoordeling van de grootte van het hart bij een X-thorax onderzoek (fig. 3).
Divergerende eigenschap van de röntgenbundel.
Divergerende eigenschap van de röntgenbundel.

Figuur 3. Effect van de divergerende werking van de röntgenbundel op de grootte van het hart (a = posterieure-anterieure techniek, b = anterieure-posterieure techniek).