Dialyse shunts

Er bestaan verschillende manieren om te dialyseren, bijvoorbeeld via een shunt (arterioveneuze (AV) fistel of AV-graft), via een centrale veneuze katheter van groot kaliber of via peritoneaal dialyse. Dialyse via een AV-fistel heeft de voorkeur omdat dit het meest duurzaam is en de minste complicaties geeft. Bij een AV-fistel wordt een arterie direct aangesloten op een naburige vene (meestal in de arm). Na enige tijd wordt de vene hypertrofisch en heeft deze een hoog  doorstroomvolume, waardoor er makkelijker bloed afgenomen en teruggegeven kan worden. De shunt kan op verschillende niveaus worden aangelegd (fig. 14). De meest voorkomende zijn de radiocefale (onderarm) shunt en de brachiocefale shunt (bovenarm).

Brachiocefale shunt en radiocefale shunt.

Figuur 14. Brachiocefale shunt en radiocefale shunt.

Omdat de vene de hoge arteriële drukken niet gewend is kan intima hyperplasie optreden, welke tot stenosen kunnen leiden. Ook het regelmatig aanprikken van het vat kan zorgen voor littekenvorming en uiteindelijk een stenose. Veel voorkomende locaties van stenosen zijn nabij de anastomose en ter hoogte van de aanprikplaatsen, maar ook meer proximaal en centraal kunnen stenosen voorkomen. Stenosen zorgen ervoor dat de doorstroom vermindert, waardor het dialyseren moeilijker wordt. Uiteindelijk kan het zelfs zo zijn dat de shunt tromboseert en verloren gaat. Daarom is het zaak significante stenosen vroegtijdig te signaleren en te behandelen. Men komt stenosen op het spoor als tijdens het dialyseren de gemeten doorstroom laag blijkt. Een daaropvolgende echo duplex kan dan een stenose aantonen. Behandeling is wederom vergelijkbaar met dat van perifeer vaatlijden: er wordt een sheath in de vene geplaatst richting de laesie. De laesie wordt gepasseerd met voerdraad en katheter. Vervolgens wordt er een PTA verricht. Bij meerdere laesies is het soms nodig om 2 sheats in tegengestelde richting te plaatsen (fig. 15).

Klik voor overlay

PTA behandeling van een stenose t.h.v. de anastomose van de brachiocefale shunt.
PTA behandeling van een stenose t.h.v. de anastomose van de brachiocefale shunt.

Figuur 15a. Een stenose t.h.v. de anastomose van de brachiocefale shunt (linker arm). Een sheath wordt proximaal van de anastomose in de v. cephalica geplaatst. Via de sheath is een katheter langs de anastomose proximaal in de a. brachialis geplaatst. Vanuit de a. brachialis wordt contrast toegediend. Er is geen doorstroom in de v. cephalica te zien vanwege de stenose en de katheter die de resterende opening blokkeert. Door middel van een PTA wordt de stenose opgeheven; bij het opspuiten van de a. brachialis is er weer passage t.h.v. anastomose. Proximaal van de sheath wordt een tweede stenose gezien in de v. cephalica (zie ook fig. 15b).

Klik voor overlay

PTA behandeling van een stenose t.h.v. de anastomose van de brachiocefale shunt.
PTA behandeling van een stenose t.h.v. de anastomose van de brachiocefale shunt.

Figuur 15b. Een tweede sheath wordt is in de v. cephalica geplaatst. De sheath is gericht naar de stenose proximaal in de v. cephalica. Na PTA van de stenose is er een verbeterde doorstroom.

Na de procedure kunnen de sheats in situ gelaten worden indien er aansluitend dialyse plaatsvindt. Dialyse is namelijk ook mogelijk door de sheaths. Als er eenmaal stenosering optreedt in een shunt komen patiënten over het algemeen zeer regelmatig terug met recidieven.