Luxatie

Luxatie: ontwrichting, onderbreking van de normale samenhang tussen de onderdelen van een gewricht.

 

 

Anterieure schouderluxatie (> 95%)

Bevindingen bij anterieure luxatie (fig. 16/17):

  • AP-opname: de humeruskop bevindt zich onder het processus coracoïdeus.
  • Axiale-opname: de humeruskop (golfbal) staat anterior van het glenoïd (tee).
  • Y-opname: de humeruskop bevindt zich niet meer centraal in de Y-configuratie, deze is verplaatst naar anterior (= richting de ribbenkast).

Klik voor overlay

Anterieure schouderluxatie.
Anterieure schouderluxatie.

Figuur 16. Anterieure schouderluxatie op een AP-opname, waar sprake is van een dislocatie naar anterocaudaal (a). Vergelijk de stand met een normale opname (b).

Klik voor overlay

Anterieure schouderluxatie (Y-opname)
Anterieure schouderluxatie (Y-opname)

Figuur. 17. Een Y-opname bij een anterieure schouderluxatie. De schouder is verplaats naar anterior (a) Vergelijk de stand met een normale Y-opname (b).

Posterieure schouderluxatie (< 5%)

Bij een posterieure schouderluxatie is de schouder naar achteren geluxeerd. Een posterieure luxatie is zeldzaam en ontstaat meestal t.g.v. elektroshock therapie of spierspasme bij een epileptisch insult. Het is een afwijking die regelmatig gemist wordt. 


Bevindingen bij posterieure luxatie:

  • AP-opname: de humeruskop is zijn karakteristieke wandelstok configuratie kwijt. De kop ziet er nu meer rond uit, vergelijkend met een gloeilamp. Dit wordt het light bulb sign genoemd (fig. 18). De patiënt kan de arm niet exoroteren en staat in licht endorotatie. Wanneer de humeruskop met voldoende kracht intern wordt geroteerd en zo tegen de achterrand van het glenoïd aanbotst, kan het trough line sign worden waargenomen (fig. 19). Dit is een extra lijn die zich projecteerd over de humeruskop (direct lateraal van de binnenzijde van de humeruskop contour). Deze extra lijn komt overeen met een indeukingsfractuur (zie kopje in dit hoofdstuk ‘Complicaties schouderluxatie’).

Klik voor overlay

Light bulb sign bij een posterieure schouderluxatie.
Light bulb sign bij een posterieure schouderluxatie.

Figuur 18. Gloeilamp configuratie (light bulb sign) bij een posterieure schouderluxatie op een AP-opname (a). Een normale AP-opname van de rechter schouder ter vergelijking (b).

Klik voor overlay

Trough line sign  bij een posterieure schouderluxatie.
Trough line sign  bij een posterieure schouderluxatie.

Figuur 19. Trough line sign (rode stippellijn) bij een posterieure schouderluxatie (a). Een normale AP-opname van de rechter schouder ter vergelijking (b).

  • Axiale opname/apicale oblique opname: de humeruskop (golfbal) ligt posterieur van het glenoid (tee).
  • Y-opname: de humeruskop bevindt zich posterieur van de Y-configuratie (= van de ribbenkast af) (fig. 20).

Klik voor overlay

Y-opname van een posterieure luxatie van de linker schouder.
Y-opname van een posterieure luxatie van de linker schouder.

Figuur 20. Y-opname van een posterieure luxatie van de linker schouder (a). Ter vergelijking een normale rechter schouder (b).

Pitfalls:

  • Als een patiënt pijn heeft zal hij/zij niet altijd de schouder kunnen exoroteren, de schouder komt hierdoor in een endorotatiestand te staan. Dit kan een light bulb sign geven. Kijk daarom altijd goed in de overige richtingen of er werkelijk sprake is van een posterieure luxatie. 
  • Door een trauma/fractuur kan er een bloeding ontstaan in het gewricht. De humeruskop kan daardoor naar beneden geduwd worden (caudale verplaatsing, drooping shoulder genoemd). Er is sprake van een pseudo-luxatie. Wanneer de bloeding geresorbeerd is zal de pseudoluxatie opgeheven worden (meestal binnen 1 a 2 weken)
 

Complicaties bij schouderluxaties

Het oppervlakte van de kom van het schoudergewricht (= glenoïd) wordt vergroot door een kraakbeenring, het zogenaamde labrum. Het labrum bestaat uit kraakbeen en bindweefsel. Deze buitenste ring van de kom geeft meer stabiliteit aan het schoudergewricht. Bij een anterieure schouderluxatie verplaatst de humeruskop zich met een grote kracht naar voren/onderen. Bij een traumatische luxatie wordt tijdens deze beweging het labrum aan de caudo-anterieure zijde normaliter beschadigd, ook wel bekend als de Bankart laesie. Wanneer de kracht groot genoeg is kan ook een deel van het benige glenoïd meegenomen worden (= benige Bankart laesie) (fig 21).

Klik voor overlay

Fractuur na anterieure schouderluxatie. Benige Bankart laesie.
Fractuur na anterieure schouderluxatie. Benige Bankart laesie.

Figuur 21. Een patiënt met persisterende instabiliteitsklachten na een doorgemaakte anterieure schouderluxatie. Er is sprake van een benige Bankart laesie. Merk ook de fracturen en de onregelmatige humeruskop op.

Bij een traumatische luxatie ontstaat normaliter een impactie fractuur (‘deuk’) aan de buitenste-achterste zijde van de humeruskop, de zogenaamde Hill-Sachs laesie. Omdat de afwijking zich aan de postero-laterale kant bevindt is een AP-opname in endorotatie het meest gevoelig om de laesie te detecteren (fig. 22).

 

Mechanisme: bij een anterieure luxatie is er een krachtige beweging naar anterocaudaal. Het (zachte) kraakbeen van de postero-laterale humeruskop botst hierbij tegen de voorzijde van het glenoïd en er ontstaat een indeuking. De (zeldzame) posterieure schouderluxaties kunnen vergelijkbare complicaties geven, maar dan precies op de tegenoverstelde locatie. De reversed-Bankart laesie (posterieure zijde glenoïd) en de reversed-Hill-Sachs laesie (anterieure zijde humeruskop). De reversed-Hill-Sachs laesie presenteert zich op de X-schouder als de zogenaamde trough line sign (fig. 19).

Klik voor overlay

Hill-Sachs laesie..
Hill-Sachs laesie.

Figuur 22. Status na een gereponeerde anterieure schouderluxatie. De AP-opname (in endorotatie) laat een defect zien van de postero-laterale humeruskop passend bij een Hill-Sachs laesie (a). Ter vergelijking een normale AP-opname (b).

Zowel de Hill-Sachs laesie als de Bankart laesie kunnen moeilijk te zien zijn op een conventionele röntgenfoto. Daarom wordt er regelmatig gekozen voor een CT-schouder of  een MRI-schouder indien er een verdenking is op een van deze laesies.


Acromioclaviculaire (AC) luxatie

Het AC-gewricht is het meest betrouwbaar te beoordelen op de AC-opname. Het gewricht kan onder verschillende hoeken afgebeeld worden. De onderzijde van het acromion dient in lijn te zijn met de onderzijde van de distale clavicula (fig. 23). Bij een verplaatsing van meer dan 8 mm moet men bedacht zijn op een AC-luxatie (NB 8-10 mm kan bij sommige volwassen nog normaal zijn). De kliniek, met o.a. het pianotoets fenomeen, is belangrijk voor de diagnose AC luxatie. Bij twijfel kan het afbeelden van het andere AC-gewricht hulp bieden.

Klik voor overlay

AC luxatie.
AC luxatie.

Figuur 23. Normale articulatie (a) vs. een AC luxatie (b).